WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (4)

Zonde en zonden.

Zonde en vlees zijn dus niet identiek, maar zij zijn erfelijk aan elkaar verbonden en door die verbinding is het vlees sterfelijk. “De bezoldiging der zonde is de dood.” Let wel: dood is niet het gevolg van zonden, maar van de zonde. De boom sterft niet omdat zijn vruchten ziek zijn, maar omdat hij zelf ziek is. Dit brengt ons bij het belangrijke onderscheid, dat de Bijbel maakt, tussen zonde en zonden. Dit verschil is geen zaak van een aantal of van enkelvoud of meervoud, het is veel meer dan dat. De zonde heeft te maken met de natuur, die ieder mens eigen is. Zonden zijn daarentegen de verkeerde daden van een menselijk wezen, die strikt verbonden zijn aan zijn persoon. Tot hier toe hebben wij nog niet gesproken over zonden, de zondige werken van een mens, maar over de zonde, de boze natuur of aard van de vleselijke mens. Wanneer wij het beeld van de zieke boom deze keer op het individu van toepassing brengen, wordt de zondaar vertegenwoordigd door de boom zelf, terwijl de zieke vruchten de zonden, de werken van de zondaar, voorstellen. De dood van een zondaar is niet het gevolg van de zonden, die hij zeker begaan heeft, en waarvoor hij persoonlijk verantwoordelijk is; maar het is de consequentie van zijn van Adam geërfde zondige natuur. De boom sterft aan zijn ziekte en niet aan zijn vruchten. Zo sterft een zondaar aan zijn zonde en niet aan zijn zonden. De “éne misdaad” van Adam is verantwoordelijk voor de macht, die de dood uitoefent over zijn hele nageslacht. Het bewijs van deze stelling wordt in de praktijk geleverd door het feit, dat onschuldige kinderen, die nog nimmer zonden begaan hebben, en ook anderen, die om één of andere reden niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun daden, even sterfelijk zijn als de ergste misdadiger. “Maar de dood heeft geheerst…. ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam…” (Rom. 5 : 14) De dood is dus niet het gevolg van de werken, maar van de natuur van de mens.

Gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood

Gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood……”

“…Gij zijt dienstknechten der zonde tot de dood……”

Want de bezoldiging der zonde is de dood.”

De prikkel nu des doods is de zonde.”

Want de zonde… heeft mij verleid… en gedood.”

“….Maar de zonde is mij de dood geworden…”

(Rom. 5:12,21; 6:16,23; 1 Kor. 15:56; Rom. 7:11,13)

Dood en zonde zijn dus met elkaar verbonden. Zo zegt ook Paulus over de dood van de Heere Jezus:”Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven” (Rom. 6: 10)

Maar ook zonden hebben hun “bezoldiging”. “Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen…” (Rom. 1: 18)

Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelven toorn als een schat, in de dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, welke een ieder vergelden zal naar zijn werken” (Rom. 2: 5, 6)

Tijdens zijn leven verzamelt de mens een hoeveelheid schuld, die evenredig is aan, en het gevolg is van zijn werken, zijn zonden. Deze schuld wordt dus groter naarmate hij ouder wordt en/of meer gezondigd heeft. De Oudtestamentische doodstraf is in het zicht van de eeuwigheid dus nog niet zo hardvochtig als hij er op het eerste gezicht misschien uitziet. Wanneer iemand gestorven is, is hij immers niet meer in staat om door het begaan van zonden zijn schuld voor God te doen toenemen! Maar voor de gemaakte schuld zal een ieder zich voor God moeten verantwoorden “in de dag… der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods” (Rom. 2: 5, 6) Deze “dag der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods” wordt in het kort beschreven in Openbaring 20: 12 en 13:

En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is: en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werkenEn de zee gaf de doden, die in haar waren; en dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.

Ieder mens wordt door God geoordeeld naar zijn werken, die blijkbaar tijdens zijn leven worden opgetekend in de Goddelijke boekhouding. Een volledig besef van wat dat betekent, moet een mens welhaast krankzinnig maken! Er wordt een boekhouding bijgehouden van alle zonden, die iemand tijdens zijn leven begaat, terwijl hij niet eens tot iets anders dan zondigen in staat is; en die boekhouding zal tegen hem gebruikt worden tijdens het proces, dat hem te wachten staat! Overigens wordt de straf over de zonden niet tijdens dit leven ten uitvoer gelegd, zoals sommigen bij gelegenheid schijnen te denken, maar pas na dit oordeel voor de “grote witte troon”.

De toekomst van een niet wedergeboren mens is volgens de Bijbel dus in eerste instantie de dood, als gevolg van de zonde; en in tweede instantie het rechtvaardig oordeel van God over de zonden, de werken, die door de zondaar werden voortgebracht. “…. gelijk het de mens gezet is eenmaal te stervenen daarna het oordeel” (Hebr. 9: 27) Velen schijnen te menen, dat het met hen wel zal meevallen, omdat zij naar hun eigen opvatting toch een goed en misschien zelfs wel christelijk leven geleid hebben. Maar hun opvatting doet hier helemaal niets ter zake! Gods oordeel is, dat in de mens absoluut geen goeds woont. (Rom. 3: 10”18) Wat ieder zondaar te wachten staat, is de poel des vuurs, als de plaats, waar het vonnis over zijn zonden ten uitvoer zal worden gelegd. “En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des Ievens, die werd geworpen in de poel des vuurs… dit is de tweede dood” (Op. 20 : 15, 14)

Zo is de toekomstverwachting voor ieder levend menselijk wezen! Wij hoeven ons bepaald geen illusies te maken over de positie die wij van nature tegenover God innemen. Die positie is volkomen hopeloos, door de twee dingen, die onze relatie met God verbroken hebben: onze zonde en onze zonden. Over beiden zal een rechtvaardig God Zijn rechtvaardig oordeel uitspreken! Wanneer wij voldoende doordrongen zijn van de macht der zonde in ons sterfelijk lichaam, zijn wij ons ook bewust, dat wij niets goeds te wachten hebben van een rechtvaardig God. “Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods” (Hebr. 10: 30, 31)

Numeri 26

De tweede telling der Israëlieten.

Num 26:1 Het geschiedde nu na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes, en tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zeggende:
Num 26:2 Neem de som van de gehele vergadering der kinderen Israels op, a) van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israel uittrekt.

a) Num 1:3 Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.

Num 26:3 Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
Num 26:4 Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven; b) gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en den kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen waren.

b) Num 1:1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinai, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:
Num 1:2 Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
Num 1:3 Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.

Num 26:5 Ruben c) was de eerstgeborene van Israel. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;

c) Gen 46:9 En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
Exo 6:13 Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
1Kr 5:1 De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israel; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israel; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;

Num 26:6 Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
Num 26:7 Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.
Num 26:8 En de zonen van Pallu waren Eliab.
Num 26:9 En de zonen van Eliab waren Nemuel, en Dathan, en Abiram; d) deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aaron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten.

d) Num 16:2 En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israels, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam.

Num 26:10 En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.
Num 26:11 Maar de kinderen van Korach stierven niet.
Num 26:12 De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
Num 26:13 Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
Num 26:14 Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.
Num 26:15 De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
Num 26:16 Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;
Num 26:17 Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.
Num 26:18 Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.
Num 26:19 De zonen van Juda waren Er en Onan; e) maar Er en Onan stierven in het land Kanaan.

e) Gen 38:7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des HEEREN ogen; daarom doodde hem de HEERE.
Gen 38:10 En het was kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.
Gen 46:12 En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

Num 26:20 Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
Num 26:21 En de zonen van f) Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.

f) Gen 46:12 En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

Num 26:22 Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.
Num 26:23 De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;
Num 26:24 Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
Num 26:25 Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
Num 26:26 De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
Num 26:27 Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
Num 26:28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.
Num 26:29 De zonen van Manasse waren: g) van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.

g) Jos 17:1 De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.

Num 26:30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
Num 26:31 En van Asriel het geslacht der Asrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
Num 26:32 En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
Num 26:33 h) Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.

h) Num 27:1 Toen naderden de dochteren van Zelafead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);

Num 26:34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
Num 26:35 Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
Num 26:36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
Num 26:37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
Num 26:38 De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahiramieten;
Num 26:39 Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
Num 26:40 En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.
Num 26:41 Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.
Num 26:42 Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
Num 26:43 Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
Num 26:44 De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.
Num 26:45 Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
Num 26:46 En de naam der dochter van Aser was Serah.
Num 26:47 Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.
Num 26:48 De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;
Num 26:49 Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
Num 26:50 Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
Num 26:51 Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
Num 26:52 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Num 26:53 Aan dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen.
Num 26:54 i) Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.

i) Num 33:54 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen.

Num 26:55 Het land nochtans zal k) door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.

k) Num 33:54 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen.
Jos 11:23 Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.
Jos 14:2 Door het lot hunner erfenis, gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en den halven stam.

Num 26:56 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen.
Num 26:57 l) Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.

l) Exo 6:16 De zonen van Gerson: Libni en Simei, naar hun huisgezinnen.
Exo 6:17 En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
Exo 6:18 En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.
Exo 6:19 En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.

Num 26:58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.
Num 26:59 m) En de naam der huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aaron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.

m) Exo 2:1 En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi.
Exo 2:2 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden.
Exo 6:19 En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.

Num 26:60 En aan Aaron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
Num 26:61 n) Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.

n) Lev 10:2 Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN.
Num 3:4 Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN in de woestijn van Sinai brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aaron.
1Kr 24:2 Maar Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezicht huns vaders, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt.

Num 26:62 En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels.
Num 26:63 Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, den priester, die de kinderen Israels telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.
Num 26:64 En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aaron, den priester, als zij de kinderen Israels telden in de woestijn van Sinai.
Num 26:65 o) Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

o) Num 14:28 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!
Num 14:29 Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt.
Num 14:34 Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking.
Num 14:35 Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! 

Numeri 25

Ontucht en afgoderij te Sittim

Num 25:1 En a) Israel verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten.

a) Num 31:16 Ziet, deze waren, door den raad van Bileam, den kinderen Israels, om oorzake der overtreding tegen den HEERE te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering des HEEREN.
Num 33:49 En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-jesimoth, tot aan Abel-sittim, in de vlakke velden der Moabieten.

Num 25:2 b) En zij nodigden het volk tot de slachtofferen harer goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden.

b) Psa 106:28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.
Hos 9:10 Ik vond Israel als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Baal-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij.

Num 25:3 Als nu Israel zich koppelde aan Baal-peor, c) ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel.

c) Psa 106:29 En zij hebben den Heere tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.

Num 25:4 En de HEERE zeide tot Mozes: d) Neem al de hoofden des volks, en hang ze den HEERE tegen de zon, zo zal de hittigheid van des HEEREN toorn gekeerd worden van Israel.

d) Deu 4:3 Uw ogen hebben gezien, wat God om Baal-peor gedaan heeft; want alle man, die Baal-peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan.
Jos 22:17 Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op dezen dag, hoewel de plaag in de vergadering des HEEREN geweest is?

Num 25:5 Toen zeide Mozes tot de rechters van Israel: Een iedere dode zijn mannen, die zich aan Baal-peor gekoppeld hebben!
Num 25:6 En ziet, een man uit de kinderen Israels kwam, en bracht een Midianietin tot zijn broederen voor de ogen van Mozes, en voor de ogen van de ganse vergadering der kinderen Israels, toen zij weenden voor de deur van de tent der samenkomst.
Num 25:7 Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, dat zag, e) zo stond hij op uit het midden der vergadering, en nam een spies in zijn hand;

e) Psa 106:30 Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.

Num 25:8 En hij ging den Israelietischen man na in de hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, den Israelietischen man en de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de kinderen Israels opgehouden.
Num 25:9 f) Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.

f) 1Co 10:8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.

Num 25:10 Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Num 25:11 Pinehas, de zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, heeft Mijn grimmigheid van over de kinderen Israels afgewend, dewijl hij g) Mijn ijver geijverd heeft in het midden derzelve, zodat Ik de kinderen Israels in Mijn ijver niet vernield heb.

g) 2Co 11:2 Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.

Num 25:12 Daarom spreek: Zie, Ik h) geef hem Mijn verbond des vredes.

h) Psa 106:31 En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.

Num 25:13 En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israels.
Num 25:14 De naam nu des verslagenen Israelietischen mans, die verslagen was met de Midianietin, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis der Simeonieten.
Num 25:15 En de naam der verslagene Midianietische vrouw was Kozbi, een dochter van Zur, die een hoofd was der volken van een vaderlijk huis onder de Midianieten.
Num 25:16 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Num 25:17 Handel i) vijandelijk met de Midianieten, en versla hen;

i) Num 31:2 Neem de wraak der kinderen Israels van de Midianieten; daarna zult gij verzameld worden tot uw volken.

Num 25:18 Want zij hebben vijandelijk k) tegen ulieden gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van den overste der Midianieten, hun zuster, die verslagen is, ten dage der plaag, om de zaak van Peor.

k) Rev 18:6 Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (3)

Zonde en vlees

Van Adam ontvingen wij dus ons “vlees” zowel als de zonde. Veelal bestaat de indruk, dat deze beiden identiek zijn, omdat de bijbel de begrippen vlees en zonde dikwijls aan elkaar koppelt. Deze verbinding bewijst de nauwe verwantschap die tussen beide begrippen bestaat, maar daarom zijn zij nog niet identiek! Vlees is de aanduiding van de menselijke natuur, zoals Adam die oorspronkelijk ontving. Zonde zou men kunnen omschrijven als de ongeneeslijke ziekte, waarmee dat vlees sinds diezelfde Adam besmet is geworden. Het vlees is op zichzelf een schepping van God, en kan dus moeilijk slecht genoemd worden. Door de “éne misdaad” van Adam werd het vlees echter geï nfecteerd met een “ziekte”, die de Bijbel zonde noemt en die onweerstaanbaar de dood tot gevolg heeft. Door Adam is de zonde in de wereld gekomen, maar het vlees werd oorspronkelijk door God Zelf voortgebracht. Wanneer de Bijbel het vlees zondig noemt, is dit een beschrijving van de huidige situatie, zoals die sinds de zondeval van Adam geworden is, maar niet van de toestand van het vlees onmiddellijk na Adams schepping!

Wanneer het geoorloofd is om een gelijkenis van eigen makelij te introduceren, zouden wij de mensheid willen vergelijken met een boom, waarvan Adam de wortel is en waarbij de stam en takken, de bladeren en vruchten zijn afstammelingen voorstellen. Deze “stamboom” in zijn totaliteit is “vlees”. Maar deze boom is ernstig ziek, doordat een parasiet zich heeft genesteld in zijn wortels, maar ook de stam en alles wat daaruit voortkomt zijn aangetast. Het zal duidelijk zijn, dat deze boom en zijn ziekte niet identiek zijn. Vlees is per definitie niet hetzelfde als zonde, maar zij zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden, in die zin, dat het vlees onderworpen is aan en een slaaf is van de zonde. De zieke boom is absoluut niet in staat om gezonde vruchten te produceren, hoe graag hij ook zou willen. Zo is ook de mens, het vlees, niet in staat om goed te doen. “Allen zijn zij afgeweken, te samen (dus niet individueel, maar collectief: in Adam) zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe” (Rom. 3: 12) Zo zijn wij ook slaven van de zonde, die over ons heerst en ons onstuitbaar voert naar de dood. “….want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien énen……” (Rom. 5 17)

…. Weet gij niet, dat… gij dienstknechten (slaven) zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt... der zonde tot de dood…” (Rom. 6: 16)

Maar ik ben vleselijkverkocht onderde zonde.…..” (Rom. 7: 14)

Zo dan, ik zelfdien… met het vlees de wet der zonde” (Rom. 7: 26)

Want hetbedenkendes vleses is de dood” (Rom. 8: 6)

Een ieder die de zonde doet is eendienstknecht(slaaf) der zonde” (Joh. 8: 34)

Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven” (Rom. 8: 13)

Vlees en zonde behoren dus bij elkaar, omdat de zonde zich als het ware in het vlees genesteld heeft, maar zij zijn niet identiek. In feite kent de Bijbel twee personen, die wel vlees, dus een menselijke natuur hadden, maar niet onderworpen waren aan de zonde. De eerste was Adam in de periode tussen zijn schepping en zondeval. De tweede wordt “de laatste Adam” of “de tweede Mens” genoemd, en Hij is de “Heer uit de hemel (1 Kor. 15: 45, 47) De Heiland had een menselijke natuur ontvangen via Zijn moeder, en Hij noemt Zichzelf dan ook bij voorkeur `de Zoon des mensen”, d.i de Zoon van de mens, Adam. Dat zijn menselijke natuur eveneens omschreven wordt met de aanduiding “vlees” blijkt uit vele schriftplaatsen:

… En het Brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld…” (Joh. 6 : 51)

…En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond” (Joh. 1: 14)

“…Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees” (Rom. 1: 3)

“….God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses..” (Rom. 8: 3)

“…Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden” (Hebr. 2: 14)

Door Zijn vleeswording (incarnatie) kwam Christus in het bezit van een werkelijk vleselijke natuur. Hij kwam niet alleen tot de Zijnen, maar Hij kwam ook in gelijkheid aan hun eigen vlees.

Vanzelfsprekend moeten wij hier het verschil zien tussen een vleselijke en een zondige natuur. Christus had een vleselijke natuur zoals wij die ook hebben, met dit onderscheid, dat ons vlees is geï nfecteerd met de zonde, terwijl Zijn vlees zonder zonde was. Want wij hebben een Hogepriester “Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde” (Hebr. 4: 15) “Geen zonde is in Hem” (Joh. 3: 5)

Dit alles brengt ons bovendien tot de conclusie, dat de menselijke, vleselijke natuur waarschijnlijk geërfd wordt van beide ouders, terwijl de zonde zich uitsluitend vererft via de mannelijke zijde. De Heere Jezus was geboren uit een vrouw, van wie Hij Zijn menselijke natuur erfde, terwijl Hij desondanks toch zonder zonde was. Wat Hij in vergelijking met ons miste waren dus twee dingen: een natuurlijke vader en de zonde. Hieruit valt te concluderen, dat de afwezigheid van de vader verantwoordelijk is voor de afwezigheid van de zonde. Niet de moeder maar slechts de vader heeft een aandeel in de voortplanting van de zonde en daarmee de dood. Dit wordt ook bevestigd in alle teksten die spreken over de oorsprong van de zonde in de mensheid. Eva was de eerste mens die zondigde en daarmee zondaar werd; doch niet zij, maar Adam wordt aangewezen als de persoon die verantwoordelijk is voor de zonde, die “tot alle mensen doorgegaan” is. Hoewel allen toch eveneens afstammen van Eva, zijn zij geen zondaren “in Eva”, maar “in Adam”! Deze natuurwet, dat de zonde geërfd wordt van de vader, ligt ten grondslag aan de geboorte van de Verlosser uit een maagd. Immers, indien Christus uit het zaad van Jozef geboren zou zijn, zou Hij net als ieder ander mens erfelijk belast zijn geworden met de zonde, en dus “des doods schuldig ” geweest zijn. In dat geval zou Hij niet hebben kunnen sterven voor onze zonde, maar Hij zou hebben moeten sterven voor die van Hem Zelf. Vandaar, dat reeds direct na de zondeval, in de eerste Bijbelse profetie over de komst van de Redder van de wereld, gesproken wordt, niet over het zaad van een man, maar over het “Zaad der vrouw” (Gen. 3 : 15) Zij, die niet geloven in de maagdelijke geboorte van Christus zouden dus logischerwijze ook niet mogen geloven in Zijn verzoenend sterven. Hij zou voor die priesterlijke taak volkomen ongeschikt zijn!

Het feit, dat de Heere Jezus een vleselijke natuur had, die niet was aangetast door de zonde, impliceert, dat Zijn vlees van nature ook niet sterfelijk was. Aangezien volgens Gods Woord de dood het gevolg is van de zonde, had de dood van nature geen macht over de Heiland. Dat Hij desondanks stierf, was omdat Hij voor de wereld tot zonde gemaakt werd! Hij nam vrijwillig de zonde der wereld op Zich en als consequentie daarvan legde Hij vrijwillig Zijn leven af! Zijn eigen woorden bevestigen dit:

Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen” (Joh. 10: 17,18)

Van een natuurlijke vader zou Hij door de zonde onderworpen geweest zijn aan de wetmatigheid, dat het ontvangen leven afgenomen, geroofd, wordt; maar van Zijn hemelse Vader ontving Hij de wetmatigheid (gebod),dat Hij niet onderworpen was aan de dood, maar dat de dood onderworpen was aan Hem! Zijn hemelse Vader had Hem lief, juist omdat Hij vrijwillig van die mogelijkheid om het leven af te leggen gebruik maakte! De apostel Paulus sluit zich bij deze woorden van de Heiland aan, als hij zegt: “En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises” (Fill 11. 2: 8) Ook nadat Hij de gedaante van een mens had aangenomen, heeft Hij Zichzelf vernederd, door, in gehoorzaamheid aan Zijn Vader, Zichzelf te onderwerpen aan de dood! Dit was geen uitvloeisel van Zijn mens zijn, maar een verdere vernedering, als de gehoorzame “Knecht des Heeren”. “…. door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen,… omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is gesteld geweest, en Hij veIer zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft” (Jes. 53 : 11, 12) “Gelijk de Zoon des Mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en om Zijn ziel (= psuche = leven) te geven tot een rantsoen voor (= anti = in de plaats van) velen” (Matth. 20: 28) Zijn leven werd Hem niet ontnomen; Hij gaf Zijn leven! Op een tijdstip, waarop naar de mens gesproken de dood nog niet kon zijn ingetreden, boog Hij het hoofd en gaf de geest (Joh. 19 : 30)

Numeri 24

Num 24:1 Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen des HEEREN, dat hij Israel zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.
Num 24:2 Als Bileam zijn ogen ophief, en Israel zag, wonende naar zijn stammen, zo was de Geest van God op hem.
Num 24:3 En hij hief zijn spreuk op, en zeide: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!
Num 24:4 De hoorder der redenen Gods spreekt, die het gezicht des Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden!
Num 24:5 Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israel!
Num 24:6 Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de HEERE heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water.
Num 24:7 Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden.
Num 24:8 God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van a) een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.

a) Num 23:22 God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.

Num 24:9 b) Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich nedergelegd, gelijk een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt!

b) Gen 49:9 Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?
Num 23:24 Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, totdat het den roof gegeten, en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben!

De vierde zegening:
De ster uit Jakob

Num 24:10 Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zeide tot Bileam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen nu driemaal gedurig gezegend!
Num 24:11 En nu, pak u weg naar uw plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou; maar zie, de HEERE heeft u die eer van u geweerd!
Num 24:12 Toen zeide Bileam tot Balak: Heb ik ook niet tot uw boden, die gij tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende:
Num 24:13 c) Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel des HEEREN niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.

c) Num 22:18 Toen antwoordde Bileam, en zeide tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des HEEREN mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.

Num 24:14 En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen.
Num 24:15 Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en die man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!
Num 24:16 De hoorder der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die het gezicht des Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden.
Num 24:17 Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israel opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.
Num 24:18 En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seir zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; doch Israel zal kracht doen.
Num 24:19 d) En er zal een uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen.

d) 2Sa 8:4 En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over.

Num 24:20 Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Amalek is de eersteling der heidenen; maar zijn uiterste is ten verderve!
Num 24:21 Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uw woning is vast, en gij hebt uw nest in een steenrots gelegd.
Num 24:22 Evenwel zal Kain verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal!
Num 24:23 Voorts hief hij zijn spreuk op, en zeide: Och, wie zal leven, als God dit doen zal!
Num 24:24 En de schepen van den oever der Chitteers, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn.
Num 24:25 Toen stond Bileam op, en ging heen, en keerde weder tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg.

De Here Jezus maakte van water wijn..

..en Shlomo toen hij wat ouder werd deed water bij de wijn.

In 1993 kwam ik tot geloof, eigenlijk al veel eerder, en twee jaar later kwam ik in een samenkomst mét de Bijbel. Destijds werd me op het hart gedrukt de Bijbel te kennen en ik ben het Woord dan ook gaan bestuderen, sterker, ik heb ‘m in een bepaalde tijd zelfs “GEVRETEN”, omdat ik Efeze 6 hard van node had staande te blijven.

In 2000 stierf een broeder, een broeder die eveneens als ik radicaal was en het niet toeliet dat zuurdesem vat kreeg. Zijn overwicht was groter als die van mij, ongeacht ik op menig mens behoorlijk veel indruk maak met mijn lengte van boven de twee meter en nou niet bepaald een stopnaald gelijk.

Daar zat de wortel, en die wortel die gelijk als de bitterwortel had moeten worden uitgedelgd, kreeg de kans om te groeien in een gemeente vol met Shlomo’s.

Is het een wonder dat er zoveel kerkverlating is?

Geëxcommuniceerd – achteraf bekeken.

Krek, ik ben geëxcommuniceerd door de samenkomst waar of ik kwam en de Bijbelstudies waar of ik kwam. Ik word nu door de meeste van hun met de nek aangekeken. Wat er is rondgegaan weet ik niet, en het zal me eigenlijk een zorg zijn. In al die jaren dat ik de ‘kerk’ deelachtig ben geweest heb ik desondanks een boel geleerd over hetgeen er in de Bijbel staat en voornamelijk wat er tussen de regels staat, maar bovenal dat ik mijn Vader heb leren kennen Die het hart aanziet en niet luistert wat anderen over je praten.

In het begin ben ik heel boos geweest maar nu ik in rustiger vaarwater terecht kom heb ik inmiddels al een heleboel geleerd, zoals totaal geen vertrouwen in mensen leggen want geen één is te vertrouwen, of zoals ik een predikant hoorde zeggen, een vriend is vaak niets meer dan een profiteur, zelden zijn er mensen echt met je begaan. Wel de lusten maar niet de lasten.

Ik ben radicaal en eerlijk, althans dat probeer ik zoveel als mogelijk te zijn. Ik heb een hekel aan leugen en daarom heb ik ook geen contact meer met mijn familie waar ik achteraf niet rouwig om ben, ze moeten niks van mijn Vader hebben en in gezelschap is het ze lust om vooral maar veel te spotten als het zo uitkomt. Die mensen ben ik liever kwijt dan rijk, ongeacht het familie is of niet. Ik heb ze niet kunnen uitkiezen evenmin ik er om gevraagd heb om geboren te worden, en vooral in zo’n kromme verdraaide familie. Gelukkig ben ik opnieuw geboren en dat is toch een hele opluchting en ik hoef me daarom ook helemaal niet schuldig tegenover hen te voelen, want we staan nu kilometers van elkaar verwijderd, of anders gezegd: “Ik ben levend gemaakt en zij zijn nog steeds dood en ik verwacht niet dat daar ooit kentering in komt, of het zou door de Grote Verdrukking moeten komen want dan zie ik ze wel weer terug in het 1000-jarig vrederijk.

In de kring was het alsof je in een glazen huisje woonde. Onherroepelijk zodra ik maar iets schreef uit mijn vleselijk verleden dan werd ik op mijn vingers getikt dat ik nieuw leven heb aangedaan. Mijn religieuze moeder gelooft dat wanneer ze de hemel betreedt dat haar memory is uitgewist, als dat werkelijk zo zou zijn, waar maken we ons dan druk om?
Maar het is juist dat je, wanneer je daar bent, terdege je leven kent, niet alleen het nieuwe maar ook het oude ongeacht God er mee rekent of niet.

Vanaf en voordat je tot geloof kwam is zó belangrijk omdat je Hem dan temeer mag danken dat Hij je uit die shit heeft getrokken, wat bij mij terdege een kwestie was. Ik heb mij veelvuldig van het leven trachten te beroven maar iedere keer heeft Hij het op een bijzondere manier weten te verijdelen. Ja, zelfs toen ik een wedergeboren mens was heb ik zelfs meermalen uit het leven willen stappen en denk er nog steeds aan.

Ik begin nu pas zeer goed te beseffen in een ander soort Sanhedrin te hebben begeven, waar tóch de ander besliste wat of jouw doen en laten was. Alles werd de grond ingeboord, zelfs van hen waarvan ik meende dat ze het goed voor me hadden. Het is niet het idee maar werkelijk het bewustzijn dat ik mezelf als het ware verloren ben door het onophoudelijk bekritiseren wat of je doet met je leven.

Voorheen had ik al veel moeite met de kwestie op dat grote strand aan de Schelfzee te staan. Wat heb je voor de boeg, ja dat water wordt gekliefd en je hebt ook een behouden toekomst en ongeacht ik dagelijks met het Woord bezig ben, voel ik mij beroofd van mijn eigen ik, vandaar dat de lust me het leven te benemen sterker is dan te leven. Want laten we wel zijn, de club waar of ik vroeger kwam en nu ben uitgesloten, is feitelijk al een dood gaan. De kennis die je van het Woord hebt opgedaan en van daaruit te spreken kun je alleen met die mensen delen… hoewel, en dat is een lichtpuntje dat ik laatst iemand van mijn woningbouwvereniging sprak die die kennis eender had. Want zeg nou zelf.. is een gesprek tussen een lijk en een levende nou zo opwekkend? Het is meestal oppervlakkig en feitelijk wordt er niks gezegd, een muur is interessanter. Of die luistert of niet, je komt het niet te weten, maar ze vallen je niet in de reden met een compleet ander onderwerp wat niets van doen heeft waarvan je praat.

Ik zing ongetwijfeld mijn tijd wel uit, maar ik kan met de apostel Paulus zeggen dat het hier een gevangenis is, en oh Mijn God wat zal ik ontzettend blij zijn uit het vlees te worden verlost!

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (2)

De oorsprong van de zonde

De grote fout zit volgens de Bijbel blijkbaar niet in het menselijk gedrag, of in de wet Gods, maar in de menselijke natuur. Om voor eeuwig gered te kunnen worden is het dus noodzakelijk, dat hij op één of andere wijze van die vleselijke natuur verlost wordt. De vraag naar de verlossing van de oude mens roept echter eveneens de vraag op waar die oude natuur haar oorsprong heeft gevonden.

Wij hebben reeds gezien, dat de menselijke natuur in de Bijbel “vlees” wordt genoemd. In Zijn gesprek met Nicodemus over wedergeboorte, zegt de Heer, dat vlees uit het vlees geboren wordt (Joh. 3: 6) Vlees wordt voortgebracht (gennao) door het vlees. Onze oude natuur hebben wij dus geërfd van onze ouders, die op hun beurt weer erfelijk belast waren door hun ouders enz… . Deze lijn voert ons zo terug tot de gemeenschappelijke stamvader van alle mensen, Adam; want God “heeft uit één bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt” (Hand. 17: 26) Via onze geboorte hebben wij onze vleselijke natuur dus uiteindelijk geërfd van Adam. “Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben” (Rom. 5: 12) Deze éne mens, de verwekker van de gehele mensheid, was degene, die de zonde in de wereld introduceerde, en daarmee ook de gevolgen van de zonde: de dood. “Want de bezoldiging der zonde is de dood” (Rom. 6 : 23) Dit feit, dat alle mensen zondaren zijn door hun afstamming van Adam, vinden wij in Rom. 5: 12 t/m 21 vele malen bevestigd:

…. indien, door de misdaad van één, velen gestorven zijn…

…. gelijk de schuld was door den één, die gezondigd heeft…

…. de schuld is wel door één misdaad tot verdoemenis…

 …. want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien énen…

.… gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis…..

…. gelijk door de ongehoorzaamheid van dien énen mens velen (allen, behalve de Heere

Jezus!) tot zondaars gesteld zijn geworden…… 

Het leven van de mensheid, de vele miljoenen, die van Adam afstammen, werd dus reeds bij de bron aangetast en besmette elk individu al voordat hij geboren werd. Vandaar dat die mensheid omschreven wordt met de uitdrukking: “kinderen der ongehoorzaamheid” (Ef. 2: 2) Wij zijn dus erfelijk belast met de zonde, om de eenvoudige reden, dat wij “in Adam” waren, toen hij door één misdaad een zondaar werd: “In welken (Adam) allen gezondigd hebben” (Rom. 5: 12)

De gedachte, dat iemand een aandeel heeft in een daad die één van zijn voorouders beging, zal ons misschien verbazen. Toch vinden wij dit principe met nadruk in de Bijbel bevestigd. In Hebreeën 7 wordt geleerd, dat Levi “tienden” gegeven heeft aan Melchizedek, terwijl volgens de geschiedenis zijn overgrootvader Abraham de man was, die zoveel eer bewees aan de priester en koning van Salem. Volgens de Bijbel echter gaf ook Levi zijn tienden “want hij was nog in de lenden des vaders, als hem Melchizedek tegemoet ging” (vs. 9 en 10) Op diezelfde wijze hadden wij deel aan de misdaad van Adam, omdat wij nog in zijn lenden waren, toen hij zondigde. Vandaar:”In wien allen gezondigd hebben”.

Wat deze schriftplaatsen ons leren, wordt over het algemeen maar weinig begrepen. Veelal denkt men, dat men een zondaar is, omdat men zonden doet. Natuurlijk is het waar, dat iemand, die zondigt, vanaf dat moment een zondaar is. Maar onze eerste zonde begingen wij niet in onze kinderjaren, maar toen wij nog in Adam waren! Het gevolg hiervan is, dat wij als zondaar werden geboren!

Vereenvoudigd komt het er op neer, dat de regel, dat iemand een zondaar wordt zodra hij zondigt, alleen van toepassing is geweest op onze gemeenschappelijke stamvader Adam. Hij was van nature geen zondaar, maar hij werd het doordat hij uit vrije wil zondigde. Bij al zijn afstammelingen ligt de zaak feitelijk precies andersom. Door hun afkomst zijn zij zondaren, en daarom zondigen zij! Zij hebben wat dat betreft feitelijk geen vrije keuze, want zij kunnen niet anders dan zondigen.

Wat ons tot zondaren maakt, zijn niet onze persoonlijke zonden; die zijn gevolg, geen oorzaak; maar onze Adamietische afkomst. Ons slechte gedrag maakt ons geen kinderen van Adam, en ons goede gedrag, zo daar al sprake van zou kunnen zijn, maakt ons geen kinderen van God! Een mens zondigt dus omdat hij een zondaar is, en beslist niet andersom.

France slams anti-Semitic violence spilling over at pro-Gaza rallies

“It is unacceptable to target synagogues or shops simply because they are managed by Jews,” Interior Minister Bernard Cazeneuve told reporters.

France’s interior minister promised on Monday to crack down on anti-Semitism after violence marred pro-Palestinian rallies in and around Paris to protest Israel’s role in the latest round of fighting in Gaza. Read more

  • Two Israeli soldiers killed in Gaza, military death toll rises to 27
  • Hamas to do list: Hide weapons in schools ✓. Use civilians as human shields ✓.Strap animals with explosives ✓.

  • Hamas has fired more than 2,040 rockets at Israel in the past two weeks. That’s more than 145 rockets a day.
  • Golani Brigade Commander: “Our Nation is Behind Us”

  • Live updates: U.S. sending $47 million in humanitarian aid to Gaza
  • IDF: Since starting our ground operation in Gaza, we have struck 1,388 terror sites and killed 183 terrorists.
  • Moments ago, the Iron Dome intercepted 7 rockets above Ashdod

Die terrorist die dat gezegd heeft moet Left behind hebben gezien.

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (1)

Wedergeboorte als noodzaak

Wanneer de Heiland met Nicodemus spreekt over wedergeboorte, zegt Hij, dat die noodzakelijk is om het Koninkrijk Gods binnen te gaan. “Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3: 3) Nadat Nicodemus, de leraar van Israël, blijk heeft gegeven van zijn onkunde betreffende dit onderwerp, licht de Heere Jezus dit nader toe en zegt: “Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet ingaan“(vs. 5) Het Koninkrijk Gods is dus niet toegankelijk voor iemand, die slechts éénmaal geboren is. Ieder mens wordt van nature slechts eenmaal geboren, en is dus absoluut niet in staat dat koninkrijk binnen te gaan. Ieder menselijk streven om verzoend te worden met God is daardoor tot mislukking gedoemd! Alle menselijke pogingen, hoe vroom en religieus ook, om dat koninkrijk te beërven of zelfs te vestigen, zijn volgens de woorden van de Heiland ijdel. Er is maar één manier om dit te bereiken: men moet wedergeboren worden! Hoe men dit ook opvat, het wedergeboren worden is niet iets, dat men zelf teweeg kan brengen. Net zo min als men de hand heeft gehad in zijn eerste, natuurlijke geboorte, kan iemand zijn wedergeboorte bewerkstelligen. Natuurlijk is wedergeboorte een activiteit, maar niet van degene, die geboren wordt, maar van Hem, Die voortbrengt. De natuur die wij door onze geboorte ontvingen, is niet in staat om dat Koninkrijk Gods binnen te gaan, maar ook niet in staat om zichzelf zodanig te veranderen of te verbeteren, dat hij alsnog geschikt wordt voor dat doel. De Bijbel is zeer expliciet, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen” (1 Kor. 15 : 50) Ieder, die slechts éénmaal geboren is, is vlees en bloed. Er wordt in deze Schriftplaatsen niet gesproken over de levenswandel van de mens, of over zijn verdiensten, maar over wie en wat hij van nature door zijn geboorte is. Doorslaggevend is hier niet hoe hij is; niet zijn daden, maar zijn wezen maken iemand al of niet geschikt voor dat koninkrijk. Tekenend is het, dat juist diegenen, die sterk de nadruk leggen op het praktiseren van wettische en religieuze leefregels, zich maar al te goed bewust zijn, dat al deze goede werken hen niet verzoenen met God, en dat zij ondanks al die werken vlees en bloed en dus zondaren blijven, die in feite geen recht op een andere toekomst kunnen laten gelden, dan de eeuwige verdoemenis, buiten de gemeenschap met God. “Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem” (Rom. 3:20) want “Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen” (Gal. 3 : 10)

Hoe goed wij ook ons best doen ons zelf te verbeteren door het naleven van een bepaald gedragspatroon, wij blijven vlees en bloed, en “die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen” (Rom. 8: 8) Wij zouden er beter aan doen ons te bekommeren om onze zaligheid, in plaats van ons bezig te houden met allerlei wettische inzettingen, “welke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwillige godsdienst, en nederigheid en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees” (Kol. 2 : 23) Het volbrengen van bepaalde leefregels mag dan de mens zelf misschien tot tevredenheid stemmen, hoewel ik betwijfel of dit ooit het geval is; de praktijk is meestal tegenovergesteld; voor onze zaligheid heeft het niet de minste betekenis! Een wettisch leven is “tot verzadiging van het vlees” en “het bedenken des vleses is vijandschap tegen God; want het (vlees) onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet” (Rom. 8: 5”8) “Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem” (Rom 3: 20; Gal. 2 : 16)

De tekortkoming schuilt echter niet in de wet, maar in de aard van de mens, die onder de wet gesteld werd! “Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig en goed… Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde” (Rom. 7: 12, 14) De wet zegt: Doe dit, en gij zult leven. Maar deze opdracht is gericht tot mensen, die slechts eenmaal geboren zijn, en dus niet in staat zijn om “dit te doen”. “Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede, dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik” (Rom. 7: 18,19) Dat is niet alleen een bekentenis van Paulus, die vóór zijn bekering zovele jaren onder de wet geleefd had; het is ook de verkorte biografie van ieder mens. Sterker nog: Het is een natuurwet, een ijzeren regel, waaraan de gehele oude natuur, zoals ook wij die bij onze geboorte ontvingen, onderworpen is. “Zo vind ik dan deze wet in mij: Als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bij ligt.” Ieder, die zich onder een wet stelt, zal, als hij eerlijk is, de juistheid van deze wet moeten bevestigen, en met Paulus zeggen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods” (Rom. 7: 24) Want dat is wat nodig is: we moeten bevrijd worden van onze oude natuur en daarvoor in de plaats een nieuwe ontvangen, die niet aan deze ”wet der zonde en des doods” onderworpen is, maar aan de “wet des Geestes des levens in Christus Jezus” (Rom.8: 2)

WordPress theme: Kippis 1.15