WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (10)

Opstanding en wedergeboorte

Dit beeld van het tarwegraan, dat moet sterven om vrucht te kunnen dragen, paste de Heer Zelf in Joh. 12 toe op iedere gelovige. Paulus doet dat ook, maar dan in andere bewoordingen: “…. gelijk de waarheid in Jezus is; te weten, dat gij (net als Hij) zoudt afleggen aangaande de vorige wandel, de oude mens… en de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.” (Ef. 4 : 21, 22 en 24) Hier staan psuche en zoë als het ware weer tegenover elkaar: De oude mens staat hier tegenover de nieuwe mensAdam tegenover Christus, de laatste Adam. De beelden van het tarwegraan en van de eerste en de laatste Adam vinden we gecombineerd terug in 1 Kor. 15, waar Paulus spreekt over de opstanding. Hij vergelijkt het lichaam van zijn oude natuur (psuche) met een tarwekorrel, die gezaaid wordt. “En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt van tarwe of van enig der andere granen. Maar God geeft hetzelve een lichaam gelijk Hij wil, en aan een ieder zaad zijn eigen lichaam. ” (vs 37, 38) Daarna volgen vele verzen ter illustratie van het verschil tussen dat wat gezaaid wordt, en dat wat als vrucht opkomt; tussen dat wat sterft en dat wat opgewekt wordt! Voor een goed begrip ervan geven wij hier van vers 44 de letterlijke vertaling:

Een ziellijk (psuchelichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een ziellijk (psuchikoslichaam, en er is een geestelijk lichaam…”

Er bestaan dus twee soorten lichamen, zoals er ook twee soorten van leven bestaan. Het leven van de eerste soort is dat van Adam, en wordt ziel (psuche) genoemd; de tweede soort is het leven van de verrezen Christus, en wordt op deze plaats “geest” genoemd. Het eeuwige leven, het opstandingsleven wordt dus in de Bijbel aangeduid met het woord “zoë“, maar eveneens met het woord “geest“. Het nieuwe leven, dat door Christus gegeven wordt is geest! Zo staat het ook in de volgende verzen! “Alzo is er ook geschreven: de eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel (een citaat uit Gen. 2: 7); de laatste Adam tot een levendmakende (zoë) geest.” (vs. 45) Om elk misverstand hierover uit te sluiten verklaart Paulus bovendien, wie deze eerste en laatste Adam zijn: “De eerste mens is uit de aardeaards; de tweede Mens is de Heere uit de hemel.” (vs. 47)

In dit Schriftgedeelte worden dus twee soorten van leven met elkaar vergeleken: Het ene is “natuurlijk” (psuchikos) het ander is geestelijk. “Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke” (vs. 46) Het natuurlijke leven is het leven van Adam, en van allen, die uit hem zijn voortgekomen. Het is het leven, dat besmet is met de zonde; het is vlees. Het andere leven is geest en is het leven van Christus, en van allen, die “in Christus” zijn, doordat zij met Hem zijn opgewekt! Het eerste is vlees, het tweede is geest.

Nadat Paulus deze beide soorten tegenover elkaar geplaatst en vergeleken heeft, geeft hij nog een opmerking, die alleen betrekking heeft op de eerste soort: het vlees: “Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnenen de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet” (1 Kor. 15 : 50) Hiermee komen wij regelrecht weer terug bij het gesprek van de Heere Jezus met Nicodemus! Het gesprek over de wedergeboorte! Wat de Heer daar uiteen zet, is, dat iemand, die slechts éénmaal geboren is, n.l. uit Adam, het koninkrijk Gods niet zal zien. “Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3 : 3) En als aanvulling hierop volgt dan: “Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geesthij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan” (vs. 5) De eerste geboorte is een geboorte uit vlees, zoals wij reeds eerder uitgebreid hebben behandeld, en maakt iemand bepaald niet geschikt voor het Koninkrijk Gods. Maar wedergeboorte is volgens de Heiland Zelf een geboorte uit de Geest: en die is nodig voor dat koninkrijk! Ook Hij stelt hier deze beide soorten van leven tegenover elkaar, wanneer Hij zegt: “Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest” (Joh. 3 : 6)

Wanneer wij deze uitspraken van de Heere Jezus en Paulus over beide soorten van leven samenvatten, komen wij tot de volgende conclusie:

Er bestaan twee soorten van leven; het éne is eerste in rangorde, het andere is tweede. (1 Kor. 15: 46)

Het eerste wordt “psuche” of “vlees” genoemd, het tweede heet “zoë” of “geest“.

Het eerste is sterfelijkhet tweede is eeuwig. (1 Kor. 15 42, 43)

Het eerste is aardshet tweede is hemels. (1 Kor. 15 47-49)

Het eerste is “in Adam“, het tweede is “in Christus“. Het eerste voert naar de doodhet tweede naar het Koninkrijk GodsHet eerste ontvangt men door geboortehet tweede ontvangt men volgens Paulus door de opstanding ten leven, en volgens de Heer Zelf door wedergeboorte.

Dit laatste is uiterst belangrijk voor het begrijpen van wat wedergeboorte eigenlijk is! Als opstanding en wedergeboorte belden het eeuwige leven voortbrengen, dan wil dat zeggen, dat opstanding en wedergeboorte synoniem zijn: Opstanding is wedergeboorte! Dit wordt ook zonder meer onderschreven door de apostel Petrus, wanneer hij zegt: “Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoopdoor de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemel bewaard is voor u” (1 Petr. 1 : 3, 4) Deze erfenis is ongetwijfeld het koninkrijk van God, waarvan Paulus zei, dat vlees en bloed dat niet beërven zullen; maar volgens Petrus zullen wij, die door God zijn wedergeboren, die erfenis ontvangen. En hoe vond volgens hem de wedergeboorte plaats? “Door de opstanding van Jezus Christus uit de doden”. Ook hij verklaart opstanding en wedergeboorte dus als synoniem.

Daarbij moeten wij overigens niet uit het oog verliezen, dat wedergeboorte weliswaar gelijk is aan opstanding, maar het omgekeerde is daarom nog niet waar. Opstanding is nog geen wedergeboorte. Dit is gelegen in het feit, dat de Bijbel eveneens twee soorten van opstanding kent: Er is een opstanding van de gewone menselijke natuur; een opstanding van het vlees dus, en er is een opstanding “in nieuwheid des levens”. Opstanding van de eerste soort vinden wij in de geschiedenissen van de zoon van de Sjunamietische vrouw, de jongeling van Naïn, het dochtertje van Jaï rus, Lazarus en de “vele lichamen der heiligen”, die genoemd worden in Matth. 27: 52 en 53. Al deze mensen werden opgewekt in hun oude vleselijke natuur en zijn als gevolg daarvan weer overleden! Zij kregen bij hun opstanding geen eeuwig leven (zoë), maar gewoon natuurlijk leven (psuche) Dit wordt bevestigd door 1 Kor. 15 : 20, waar gezegd wordt, dat Christus “is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn“. Hij was niet de Eerste, Die in de oude natuur werd opgewekt, maar Hij was de Eerste, die “in nieuwheid des levens” uit de doden verrees. Hij was de Eerste, Die uit de doden opstond met eeuwig leven. Alleen deze laatste soort opstanding is gelijk aan wedergeboorte.

Numeri 34

Kanaäns grenzen

1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Gebied den kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaan ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaan, naar zijn landpalen.
3 a De zuiderhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin, aan de zijden van Edom; en de zuider landpale zal u zijn van het einde der Zoutzee tegen het oosten;

a: Jos 15:1 En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;

4 En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar den opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-Barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-Addar, en doorgaan naar Azmon.
5 Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee.
6 Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.
7 Voorts zal u de landpale van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult gij u den berg Hor aftekenen.
8 Van den berg Hor zult gij aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad.
9 En deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u de noorder landpale zijn.
10 Voorts zult gij u tot een landpale tegen het oosten aftekenen van Hazar-Enan naar Sefam.
11 En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den oever van de zee Cinnereth oostwaarts.
12 Voorts zal deze landpale afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn landpale rondom.

Inbezitneming van het land

13 En Mozes gebood den kinderen Israels, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de HEERE aan de negen stammen en den halven stam [van] [Manasse] te geven geboden heeft.
14 Want de stam van de kinderen der Rubenieten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gadieten, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen.
15 Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang.
16 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
17 b Dit zijn de namen der mannen, die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.

b: Jos 14:1 Dit is nu hetgeen de kinderen Israels geerfd hebben in het land Kanaan; hetwelk de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels, hun hebben doen erven;

18 Daartoe zult gij uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen.
19 En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
20 En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
21 Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
22 En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
23 Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
24 En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
25 En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;
26 En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
27 En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
28 En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
29 Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israels de erfenissen uit te delen, in het land Kanaan.

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (9)

Opstanding

We hebben tot nu toe gezien, dat de Heere Jezus in onze plaats leed en stierf, respectievelijk voor onze zonden en voor onze zonde. Het lijden, dat Hij onderging was in onze plaats en voor onze zonden”, zijn sterven was eveneens in onze plaats en voor onze zonde.

Maar daar kan het niet bij blijven! Wanneer wij de dood van Christus op onszelf van toepassing brengen, weten wij, dat wij verlost zijn van de zonde en de wet, maar het betekent tevens, dat wij voor God ons leven verloren hebben! Behalve onze zonde zijn we ook ons leven, zoals geërfd van Adam, kwijtgeraakt. De ziekte van de boom is weggenomen, maar de boom zelf is dood. Dat is net zoveel als: “De operatie is geslaagd; de patiënt is dood”. Daarmee is op zichzelf niets opgelost! Oorspronkelijk schiep God de nog niet met de zonde besmette mens. Hij had daar beslist een bedoeling mee, zoals de Bijbel ook uitdrukkelijk verklaart. Het voert wat te ver om alle bijzonderheden van Gods plan met de mens hier op te sommen, maar in essentie vinden wij het in Genesis 2, waar God tot de mens zegt: “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt”. Gods opdracht aan de zondeloze mens was, om over Zijn schepping te regeren! Het spreekt vanzelf, dat de mens, sinds hij van een ”levende ziel” veranderde in een “stervende ziel”, totaal ongeschikt geworden is voor de uitvoering van die goddelijke opdracht! De vermenigvuldiging is wel gelukt, maar van de heerschappij is niets terechtgekomen. In plaats van heerschappij kwam er “vrees” en “verschrikking”. Men vergelijke Gen. 1:28-30 met Gen. 9 : 1-3!

Inmiddels is de mens ten dode opgeschreven of hij is met Christus gestorven en begraven! Het zal duidelijk zijn, dat iemand, die reeds nu voor God doodverklaard is, in feite nog slechter af is, dan iemand, die zijn zondige natuur pas zal verliezen bij zijn fysieke sterven. Het is dan ook in dit verband, dat Paulus zich de volgende woorden laat ontvallen:

Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen” (1 Kor. 15: 19)

En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof“ (1 Kor. 15:14)

En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn” (1 Kor. 15 : 17, 18)

Wij hopen niet alleen in dit geven op Christus! Dit leven is reeds “in Christus ontslapen”, maar daar blijft het beslist niet bij! Wij, gelovigen, zijn niet “heengegaan voor onze tijd”. Christus is niet Iemand, die mensen het leven afneemt; Hij is Iemand, Die gekomen is om leven te geven. Hij heeft niet alleen voor ons geleden; Hij is niet alleen voor ons gestorven; Hij is bovendien voor ons opgewekt. Als Zijn lijden ons lijden was; als Zijn dood onze dood was; dan is Zijn opstanding ook onze opstanding! Wij, die geloven, zijn met Christus gestorven, begraven en opgewekt. Daarom zegt Paulus: “En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden” (1 Kor. 15 : 17) Maar Christus is opgewekt, en wij met Hem. Deze waarheid vinden wij zeer uitgebreid vermeld in Romeinen 6 en Efeze 2: “Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstandingDit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven… Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezusonze Heere. “ (Rom. 6: e.v.)

Doordat wij geplaatst werden “in Christus”, hebben wij net als Christus onze oude, vleselijke natuur verloren; maar door diezelfde positie “in Christus” ontvingen wij met Hem een nieuw leven, een leven uit de doden! Deze beide zaken worden precies zo geleerd door de letterlijke vertaling van Rom. 6: 23: “Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heere.” Dat dit opstandingsleven van Christus een eeuwig leven is, wordt verklaard door Rom. 6: 9:“Wetende,dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over hem “ Dit leven is het leven, dat Christus na Zijn verrijzenis openbaarde. Dit leven is een leven, dat pas na de dood begint! Wanneer wij de vraag stellen: “Is er leven na de dood?”, dan is het enige juiste antwoord: “Ja, er is leven na de dood, maar dan alleen In de opgewekte en verheerlijkte Christus!” En dit leven kunnen wij reeds nu ontvangen, als wij geloven, dat Christus In onze plaats gestorven is. Dan is Zijn dood onze dood, en dan is Zijn leven ons leven! En omdat dat leven begint waar de dood ophoudt, is het een eeuwig leven.

Eeuwig leven is dus beslist geen prolongatie door de eeuwen heen van het leven, dat Adam voor de zondeval bezat! Het is een leven op een totaal ander niveau, en van andere aard, dan het leven dat God in de neusgaten van Adam blies. Dit verschil is zelfs zo sterk. dat de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament verschillende woorden voor beide soorten leven gebruikt. Het natuurlijke menselijk leven is “psuche”, wat vertaald wordt met leven, maar ook heel dikwijls met ”ziel”. Hiervan afgeleid is het bijvoegelijk naamwoord “psuchikos”, dat vertaald wordt met “natuurlijk”, en gebruikt wordt voor het soort leven, dat Adam doorgaf aan zijn nageslacht. Zo staat er geschreven: “Maar de natuurlijke (psuchikos) mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn…” (1 Kor. 2: 14) Eigenlijk zou “psuchikos” vertaald moeten worden met “ziellijk”, omdat “ziel” de aanduiding is van het soort leven, dat de mens op natuurlijke wijze ontvangen heeft. Van Adam staat er, toen God hem het leven inblies: “…Alzo werd de mens een levende ziel” (Gen. 2: 7) De oude natuur is dus ziel, want Adam was ziel, en zijn afstammelingen zijn dat daarom ook. Psuche is dus het natuurlijke leven van de mensheid. Dat is ook het leven, dat de Heere Jezus ten behoeve van diezelfde mensheid op gaf.

Het leven, dat Christus aan de gelovige geeft, het eeuwige leven dus, wordt aangeduid met het griekse “zoë“. “En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve (deze soortleven (zoëis in Zijn Zoon.” (1 Joh. 5 : 11) Dit eeuwige leven, de genadegift Gods (Rom. 6: 23), is dus in Christus; het is het leven, dat Christus nu heeft en geeft, en het wordt met een speciale naam aangeduid: zoë.

Het onderscheid tussen deze beide soorten van leven komt zeer sterk naar voren in het Evangelie naar Johannes. Zo zegt de Heere in Joh. 10 : 10: “Ik ben gekomen, opdat zij (de schapen van de goede Herder) het leven (zoë) hebben. “ Niet, dat Hij gekomen is om de schapen tot leven te wekken, het waren al levende schapen voordat Hij kwam; maar Hij is gekomen om hen een nieuw soort leven te geven: niet psuche maar zoë. Maar in het volgende vers zegt de Heiland: “Ik ben de goede Herder; de goede Herder stelt Zijn leven (psuche) voor de schapen. ” Het leven, dat Christus opgaf was “psuche”, het leven, dat Hij geeft is “zoë“.

Gelijk de Zoon des Mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel (psuche) te geven tot een rantsoen voor velen” (Matth. 20: 28)

Mijn ziel (psuche) is geheel bedroefd, tot de dood toe…“ (Matth. 26: 38)

Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven (psuche) afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme.“ (Joh. 10: 17)

Daar tegenover staan bij voorbeeld de volgende verzen:

Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven (zoë)“ (Joh. 11 : 25)

Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven (zoë)“ (Joh. 14: 6)

In Johannes 12 vinden we deze woorden weer samen in één vers. Veel van de betekenis van dit Schriftgedeelte gaat verloren, als we psuche en zoë hier niet onderscheiden. In vers 24 spreekt de Heer over Zijn nog toekomstige lijden en sterven, als Hij zegt: “Indien het tarwegraan niet in de aarde valt en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.” Het is niet moeilijk om in dit tarwegraan de Heere Jezus te ontdekken, Die door Zijn sterven en opstanding veel vrucht draagt. Daarna volgen de woorden: “Die zijn leven (psucheliefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven (psuchehaat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven (zoë)” (vs. 25) Hier is een belofte voor hen, die voor de wereld met Christus gekruisigd willen zijn en zo hun leven (psuche) in de wereld willen haten: Zij ontvangen eeuwig leven (zoë) (Zie ook Ef. 2:1 en 6)

Het noemen van het tarwegraan moet overigens voor de Joodse toehoorders zeer veelzeggend geweest zijn. In de Bijbelse systematiek staat de tarwe in de rangorde der vruchten op de eerste plaats. De Hebreeuwse naam voor de tarwe opent een vergezicht in de symboliek, zoals die in de Bijbel naar voren komt. ; Tarwe is namelijk “chitah” (chet-thet-heh), een naam, die is afgeleid van de stam “cheet” (chet-thet-alef), dat zonde, zondigen en zondaar betekent. Tarwe stelt dus een mens voor, die belast is met de zonde, en is daarom in eerste instantie een type van Christus, Die voor ons tot zonde gemaakt werd, en vervolgens ook van de andere afstammelingen van Adam. Van diezelfde stam is ook het woord “chatav” (chet-thetbeth) afgeleid, dat vertaald wordt met “omhakken“. Dit is bijna vanzelfsprekend, aangezien omhakken een uitbeelding is van het ter dood brengen: het gevolg van de zonde is immers de dood. Alleen al op grond van de verwantschap van deze woorden is de tarwe een type van de met de zonde belaste mens, die ten dode is opgeschreven. De Heere Jezus voegt echter nog iets aan deze symboliek toe! De dood heeft volgens Zijn uitspraken niet het laatste woord, want nadat de tarwe gestorven is, draagt het vrucht! Ook nadat de tarwe (chitah) is omgehakt (chatav), en dus van het leven is afgesneden, kan het nog leven voortbrengen, door gezaaid te worden in de aarde! Ook dit komt op dezelfde symbolische wijze al tot uitdrukking in het Oude Testament, want een ander woord uit deze zelfde ”zondige” stam is “choter” (chet-thet-resh), dat in Jesaja 11: 1 vertaald wordt met “Rijsje”: “Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van lsaï en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen… “ Het hoeft geen betoog, dat dit Rijsje Niemand anders is dan de Heere Jezus Christus. Hij werd voor ons tot zonde (cheet) gemaakt; Hij was het ware Tarwegraan (chitah) Hij werd omgehakt (chatav) of afgehouwen; maar Hij verrees (van “rijzen”) uit de dood als het Rijsje (choter) uit de afgehouwen tronk van lsaï . Die tronk werd uiteraard afgehouwen toen Hij stierf, maar bij Zijn verrijzenis verscheen Hij als het Rijsje uit Jesaja 11. In dat hoofdstuk wordt dan ook niet gesproken over de komst van de Messias om te lijden en te sterven, maar over Zijn wederkomst in heerlijkheid, om als de verrezen Christus Zijn koninkrijk op te richten.

Dit alles en nog meer wordt reeds uitgebeeld door een simpele tarwekorrel!

Numeri 33

Overzicht van de woestijnreis

1 Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aaron.
2 En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen, naar den mond des HEEREN; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten.
3 a Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags van het pascha, togen de kinderen Israels uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;

a: Exo 12:37 Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.

4 Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden.
5 Als de kinderen Israels van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth.
6 b En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.

b: Exo 13:20 Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.

7 c En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.

c: Exo 14:2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baal-zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee.

8 En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in d Mara.

d: Exo 15:22 Hierna deed Mozes de Israelieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.
Exo 15:23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.

9 En zij verreisden van Mara, en kwamen te e Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar.

e: Exo 15:27 Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.

10 En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.
11 En zij verreisden van de Schelfzee, en f legerden zich in de woestijn Sin.

f: Exo 16:1 Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israels in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinai, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.

12 En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.
13 En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz.
14 En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in g Rafidim; doch daar was geen water voor het volk, om te drinken.

g: Exo 17:1 Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.

15 En zij verreisden van Rafidim, en h legerden zich in de woestijn van Sinai.

h: Exo 19:1 In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israels uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinai.

16 En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en i legerden zich in Kibroth-Thaava.

i: Num 11:34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.
Num 11:35 Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.

17 En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.
18 En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.
19 En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.
20 En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna.
21 En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.
22 En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.
23 En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.
24 En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.
25 En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.
26 En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.
27 En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.
28 En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.
29 En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.
30 En zij k verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.

k: Deu 10:6 (En de kinderen Israels reisden van Beeroth-bene-jaakan en Mosera. Aldaar stierf Aaron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.

31 En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.
32 En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.
33 En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.
34 En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.
35 En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.
36 En zij verreisden van Ezeon-Geber, en l legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.

l: Num 20:1 Als de kinderen Israels, de ganse vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.

37 En zij verreisden van Kades, en m legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.

m: Num 20:22 Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.

38 n Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.

n: Num 20:25 Neem Aaron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.
Deu 32:50 En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aaron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.

39 Aaron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.
40 o En de Kanaaniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaan, hoorde, dat de kinderen Israels aankwamen.

o: Num 21:1 Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.

41 En zij p verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.

p: Num 21:4 Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.

42 En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.
43 En zij verreisden van Funon, en q legerden zich in Oboth.

q: Num 21:10 Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth.

44 En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.
45 En zij verreisden van de heuvelen van [Abarim], en legerden zich in Dibon-Gad.
46 En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaim.
47 En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.
48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.
49 En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan r Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.

r: Num 25:1 En Israel verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten.
Jos 2:1 Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die heimelijk verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ten huize van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.

Voorschriften voor de landverdeling

50 En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
51 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaan;
52 s Zo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen.

s: Deu 7:2 En de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
Deu 7:3 Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
Deu 7:4 Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des HEEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u haast verdelgen.

53 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om hetzelve erfelijk te bezitten.
54 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; t dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen.

t: Num 26:54 Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.
Num 26:55 Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.
Num 26:56 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen.
Num 26:57 Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht

55 Maar indien gij de inwoners des lands niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het geschieden, dat, die gij van hen zult laten overblijven, v tot doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land, waarin gij woont.

v: Jos 23:13 Weet voorzeker, dat de HEERE, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de HEERE, uw God, gegeven heeft.
Jdg 2:3 Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.

56 En het zal geschieden, dat Ik u zal doen, gelijk als Ik hun dacht te doen.

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (8)

Verlossing van de zonde en de wet

Door Zijn plaatsvervangend sterven werden wij dus vrijgemaakt van de zonde. Maar dat niet alleen; wij werden daardoor eveneens vrijgemaakt van de wet, omdat de wet werd opgelegd aan de oude, zondige natuur. Indien Christus voor onze zondige natuur gestorven is, houdt dat in, dat wij verlost zijn van die zondige natuur, maar ook van alles waaraan die natuur ooit onderworpen was! “Weet gij niet broeders… dat de wet heerst over de menszo langen tijd als hij leeft?” (Rom. 7: 1) Dit laat zich eenvoudig verklaren uit het feit, dat men een dode nu eenmaal niet kan verbieden door het rode stoplicht te rijden. Van een dode kan men überhaupt niets meer verwachten. Zonde en wet hebben slechts heerschappij over een levend wezen, maar niet over een overledene!

Een Bijbelse illustratie (eigenlijk is het veel meer dan dat!) van dit principe vinden wij in Rom. 7 : 2: “Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende man vebonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.” De straf, die Christus droeg voor onze zonden, maakte ons voor God vrij van die straf, alsof wij hem zelf gedragen hadden. De dood die Christus onderging voor onze zonde, maakte ons vrij van de dood, alsof wij die zelf ondergaan hadden. Dit wordt ook door Gods Woord bevestigd als er staat dat “… indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn” (2 Kor. 5: 15) Indien Christus voor ons gestorven is, dan zijn wij dus zelf gestorven! En dat niet alleen; Paulus beschouwt het sterven van Christus en het sterven van een zondaar als identiek, als gelijktijdig plaatsgehad hebbende. “Want Ik ben door de wet der wet gestorvenopdat ik Gode leven zou. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer Ik, maar Christus leeft in mij… ” (Gal. 2: 19, 20) God ziet ons met Christus verenigd als “één plant”. “Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?” (Rom. 6: 3) Het gaat hier niet om de doop in water, maar om de doop in Christus, en de doop in Zijn dood. Wij zijn in Christus gedoopt en dus in Zijn Persoon ondergedompeld, en zo “één plant” met Hem geworden (Rom. 6 : 5) Indien wij op deze wijze met Hem verenigd zijn, zijn wij tezamen met Hem gestorven en ondergedompeld in Zijn dood. Zijn dood wordt dus geacht ook onze dood te zijn. Voor ons, stervelingen, is dit wellicht moeilijk te accepteren; maar het is in de allereerste plaats van belang of God het accepteert en dat is bepaald niet aan twijfel onderhevig. Als dan God Zelf zegt, dat wij met Christus gestorven zijn, waarom zouden wij dat dan ook niet aanvaarden? Dan weten wij met de apostel Paulus, “dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. “Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde” (Rom. 6: 6, 7) “Alzo ook gijliedenhoudt het daarvoordat gij wel der zonde dood zijt…” (Rom. 6: 11 )

Wij zijn dus vrijgemaakt van de zonde, omdat de dood van Christus geacht wordt onze dood te zijn; en als wij voor de zonde dood zijn, kan ons ook geen wet meer opgelegd worden, omdat ”de wet heerst over de menszo langen tijd als hij leeft” (Rom. 7: 2) Wanneer wij dan “der zonde gestorven” zijn, houdt dat tevens in, dat wij ook “der wet gedood” zijn. “Zo dan, mijn broedersgij zijt ook der wet gedood door het (vleselijke) lichaam van Christus”, en “nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn” (Rom. 7: 4, 6) De Bijbel stelt nadrukkelijk, dat de wet werd opgelegd aan het vlees, de oude, zondige natuur, en dat daarom de wet krachteloos was. De wet was krachteloos omdat wij krachteloos waren. (Rom. 5 : 6; Rom. 8: 3) Om die reden spreekt Hebr. 7: 6 over “de wet des vleselijken gebods“. Maar dat vlees was door de zonde niet in staat om de wet te volbrengen, “want het vlees onderwerpt zich der wet Gods nietwant het kan ook niet” (Rom. 8: 7) “Want wij weten, dat de wet geestelijk ismaar ik (die onder de wet ben) ben vleselijk…” (Rom. 7: 14) Maar wanneer het vlees gestorven is, heeft de wet niets meer om over te heersen! De slaaf is dood!

Buiten dit alles stelt de Bijbel met nadruk, dat de wet slechts geldig is tot op Christus. In Galaten 3 worden wij door Paulus geconfronteerd met het feit, dat Gods verbond met Abraham reeds vierhonderd en dertig jaar van kracht was, voordat de wet gegeven werd.

Abraham werd gerechtvaardigd uit het geloof, zonder de werken der wet, eenvoudig omdat hij vele eeuwen voor de komst van de wet leefde. (Vgl. Rom. 4: 3 en 3: 28) Hij is dus ook niet in staat geweest om, nadat hij door God gerechtvaardigd geworden was, “uit dankbaarheid” te gaan leven in overeenstemming met de wet.

Dit verbond met Abraham werd gesloten met “Abraham en zijn Zaad“, waarbij verklaard wordt, dat dit zaad Niemand anders dan Christus is. Wanneer Paulus deze waarheid uiteen zet, geeft hij overigens tevens een prachtige demonstratie van hoe letterlijk men de Bijbel behoort te lezen: “Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt nietEn den zadenals van velenmaar als van één: En uw zaadhetwelk is Christus” (Gal. 3 : 16) Over deze beloften aan Abraham en Christus zegt Paulus vervolgens, dat zij niet werden ingetrokken, toen God vierhonderd en dertig jaren later het verbond van de wet sloot op de Sinai. “En dit zeg ik; het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen” (Gal. 3 : 17) Ondanks de wet, en buiten haar om, blijven de beloften aan Abraham en Christus geldig, en blijft het waar, dat geloof gerekend wordt tot gerechtigheid. “Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend” (Gal. 3: 6; Rom. 4: 3) “Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet” (Rom. 3: 21) De wet, die zoveel eeuwen later pas gegeven werd, doet dus niets toe of af aan de beloften aan Abraham en zijn. Zaad. De wet is geen aanvulling op de beloften, maar is gesteld naast de beloften’. “Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn. (Gal. 3 : 19)

Waar is de wet bij gesteld? Zoals uit vers 18 blijkt, is de wet gesteld bij, of naast de beloften. Dat zij volkomen los daarvan staat, blijkt uit vers 15: “Broeders, ik spreek naar de mens: zelfs eens mensen verbond, dat bevestigd isdoet niemand te niet, of niemand doet daartoe.” God heeft Zijn verbond met Abraham en Christus tevoren bevestigd (vs. 17) en Hij doet daaraan niets toe, en Hij doet het niet te niet! “Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid…. dat Hij met Abraham heeft gemaakten Zijns eeds aan Izak; welken Hij ook gesteld heeft aan Jacob tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond.” (Ps. 105: 8-10) Duidelijker kan het toch al niet: Het verbond met Abraham en zijn Zaad is een eeuwig verbond!

Heel anders ligt het echter met het verbond der wet. Over de wet wordt gezegd, dat het “daarbij (bij het verbond met Abraham: de beloften) gesteld is, totdat het Zaad zou gekomen zijn “ (Gal. 3 : 19) Hier vinden wij een “totdat”. De wet heeft dus tijdelijke geldigheid. Dit wordt reeds in het Oude Testament bevestigd, waar een Nieuw Verbond ter vervanging van het oude wordt aangekondigd. Dat dit Oude Verbond, dat vervangen zal worden, het verbond der wet is, blijkt uit de woorden van de Schrift zelf: “Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal makenNiet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere….” (Jer. 31: 31, 32) Uit deze verzen blijkt in de eerste plaats, dat het verbond der wet een tijdelijk karakter droeg en vervangen zou worden, en in de tweede plaats, dat de Heere door de wet een huwelijksrelatie met Israël was aangegaan. Vanuit die achtergrond zegt Paulus dan: “Weet gij niet, broeders, want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan, dat de wet heerst over de mens, zo langen tijd als hij leeft?” (Rom. 7: 1) Omdat de wet slechts geldig is over levenden, bestaan er nu twee redenen, waarom een gelovige niet onder de wet kan staan. De eerste volgt in het tweede vers van dit hoofdstuk: “Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans …. maar indien de man gestorven is, zo is zijn vrij van de wet“ De eerste reden, waarom vandaag niemand onder de wet geplaatst is, is dat de Man, de Heere Jezus Christus gestorven is, waardoor de vrouw, d.i Israël, het volk dat onder de wet gesteld was, vrijgemaakt is van die wet. De tweede reden noemt Paulus in vers vier: “Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen… ” Niet alleen de Man, de Heere, is gestorven, maar ook de vrouw, d.i wij, die eventueel onder de wet geplaatst waren, zijn gestorven, en wel door het lichaam van Christus.

Het argument van Paulus in Romeinen zeven is, dat dit huwelijk tussen de Heere en het onder de wet geplaatste volk met geen mogelijkheid te handhaven is, daar belde echtelieden inmiddels zijn overleden! “Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot (of tot op) Christus” (Gal. 3 : 24), en geen dag langer!

Het is goed, om te beseffen, dat de wet zelf, zowel de “tien geboden” als de ceremoniële wet, in al haar facetten een heenwijzing is naar Christus! Alle offeranden, alle feesten, alle bijzondere data, alle voorwerpen, die in de tempeldienst gebruikt werden, zijn typen van Christus. Zelfs de in de wet zo dikwijls genoemde “naaste” (enkelvoud, overtreffende trap) is niemand anders dan Christus Zelf! Wanneer de wet wordt samengevat in dit ene woord: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven ” (Gal. 5: 14), dan is deze naaste Niemand anders dan de Heere Jezus, zoals Hij ons Zelf geleerd heeft door de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Dat slechts weinigen dit onderkennen, verandert aan het feit op zich niets. De gehele wet wijst op Christus! Daarom ook zegt Paulus, dat de rechtvaardigheid, die buiten de wet om geopenbaard wordt, door de wet zelf verkondigd wordt (Rom. 3: 21) En wanneer de Heer Zelf Zijn lijden en sterven verklaart aan de Emmaüsgangers, doet Hij dat aan de hand van “Mozes… en al Schriften” (Luk. 24 : 27) En als Hij daarna met Zijn discipelen spreekt, zegt Hij: “Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de wet van Mozes…” (Luk. 24 : 44) De wet van Mozes was dus een heenwijzing naar Christus (eigenlijk een verwijzing!) en aangezien Christus inmiddels verschenen is, heeft de wet die functie verloren! Sprekend over de wet zegt Paulus: “Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wetopdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou”…(Gal. 4 : 4,5)

De wet wees op Christus, en toen Hij kwam, verloste Hij allen, die onder de wet waren, van diezelfde wet. Hij heeft ons verlost van de wet (Gal. 4 : 5) en van de vloek der wet: “Christus heeft ons verlost van de vloek der wet…” (Gal. 3: 13)

Wij zijn volgens deze schriftgedeelten verlost van de zonde en verlost van de wet. Nu komt geen enkele gelovige op het idee, om uit dankbaarheid te gaan leven in de zonde, waarvan hij verlost is geworden! Hoe komt het dan toch, dat zovelen wel op deze gedachte komen in verband met de wet? Zijn zij wellicht net als het wettische Israël verblind geworden? De bevrijding uit de slavernij van de wet is een essentieel onderdeel van de totale verlossing, die in Christus Jezus is. Wanneer iemand, die zich Christen noemt, zich dus willens en wetens onder die wet plaatst, doet hij willens en wetens afbreuk aan het verlossingswerk van Christus, en “zo is dan Christus tevergeefs gestorven” (zegt Paulus in dit zelfde verband in Gal. 2 : 21) Bovendien plaatst hij zich dan onder dezelfde vloek, die over het volk kwam, dat eertijds onder de wet gesteld was, en zal hij net als dat volk Israël niet in staat zijn, om de geestelijke zegeningen, die in Christus zijn (Ef. 1 : 3) te ontvangen! Tot hen zouden wij willen zeggen: “Nu danwat verzoekt gij Godom een juk op de hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen; maar wij geloven, door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden… “ (Hand. 15 : 11 ), want wij zijn niet onder de wet, maar onder de genade (Rom. 6: 14 en 15)

Wanneer Paulus in Romeinen 7 heeft uiteengezet waarom en hoe een gelovige is vrijgemaakt van de wet, komt hij tot zijn grote lofzang aan God in Rom. 8. Dat hoofdstuk begint met: “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.” De Nieuwe Vertaling laat terecht het volgende zinnetje weg: “die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest”. Dit laatste komt in de beste grondteksten gelukkig niet voor! Niet onze wandel is bepalend voor het al of niet in de verdoemenis komen, maar onze positie in Christus Jezus. Die positie is: vrij van zonden, vrij van zonde en vrij van de wet. Ieder, die gelooft, dat hij in Christus van deze drie dingen is verlost, zal deze tekst met Paulus van harte beamen. Maar nog nooit hebben wij iemand ontmoet, die zich onder de wet gesteld had en tevens overtuigd was, dat er voor hem geen verdoemenis meer was! Ook hieruit blijkt, dat de wet een vloek geworden is (Gal. 3: 13): zij maakt het iemand onmogelijk, om de verlossing, die in Christus Jezus is, ten volle te aanvaarden, en daaruit te leven. Laten wij toch leren aanvaarden, dat onze Heere Jezus Christus ons ook heeft verlost van de wet, wier slaven wij waren, “uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende” (Kol. 2 : 14) Alleen dan kunnen wij van harte uitroepen: “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn” (Rom. 8: 1)

Als wij met Hem 1 plant worden..

..dan worden we Einstein !

Lithops is een geslacht van succulente planten, dat van nature voorkomt in Afrika en dan vooral in Namibië en Zuid-Afrika. Het woord ‘lithos’ is Oudgrieks en betekent ‘steen’. Lithops betekent ‘steenachtig’. Dat is een goede omschrijving voor de planten, die voorkomen dat ze worden opgegeten door volledig op te gaan in de omgeving van kiezelstenen. Deze planten staan ook bekend als ‘levende steentjes’. De planten zijn voor het eerst beschreven door William John Burchell in 1811.

Elke plant heeft gewoonlijk twee bolvormige, vlezige, bijna samengegroeide bladeren, die tegenover elkaar staan. De planten hebben een zeer korte stengel. De gleuf tussen de bladeren bevat het meristeem, die bloemen en nieuwe bladeren produceert.

Zo is ze gelijk aan de rotssteen in Horeb waar Nieuw Leven, water uit voortkwam.

Oude bladeren sterven af, zodra er een nieuw paar is gevormd. Soms verschijnen twee nieuwe paren uit één bladpaar, een vorm van aseksuele reproductie. Op de lange duur vormt één enkele plant een kluit of zode. De planten groeien bijna volledig ondergronds. Onzichtbaar en dus Geestelijke groei. Alleen het bovenste gedeelte, minder dan 5 mm, van de afgeplatte bladeren wordt aan de lucht blootgesteld. De doorschijnende bovenzijde laat licht door naar het onderste gedeelte, dat bladgroen bevat en waar de fotosynthese plaatsvindt. Dit is een aanpassing aan de hete, droge omgeving. Dezelfde plek als waar je kamelen, die beesten die uit hun bek stinken, kunt vinden. Rom 7:24 Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gekweekte planten worden wat verder boven de aarde gepoot om rotting te voorkomen, zoals op de foto’s te zien is.

De kleur van de planten is vrijwel gelijk aan de omringende kiezels, wat het vinden van niet bloeiende planten, moeilijk maakt. Bloemen van Lithops zijn geel of wit en verschijnen afhankelijk van de soort ergens tussen juli en november. (Wiki)

Numeri 32

Ruben en Gad krijgen hun erfdeel

1 De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaezer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee.
2 Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes, en tot Eleazar, den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende:
3 Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
4 Dit land, hetwelk de HEERE voor het aangezicht der vergadering van Israel geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee.
5 Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; [en] doe ons niet trekken over de Jordaan.
6 Maar Mozes zeide tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uw broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven?
7 Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israels breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat de HEERE hun gegeven heeft?
8 Zo deden uw vaders, als ik hen van a Kades-Barnea zond, om dit land te bezien.

a: Num 13:3 Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.
Deu 1:12 Hoe zoude ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen?

9 Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israels, dat zij niet gingen naar het land, dat de HEERE hun gegeven had.
10 Toen ontstak de toorn des HEEREN te dien dage, en Hij zwoer, zeggende:
11 b Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;

b: Num 14:28 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!
Deu 1:35 Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, hetwelk Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!

12 Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, den Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den HEERE na te volgen.
13 Alzo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het ganse geslacht, hetwelk gedaan had, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
14 En ziet, gijlieden zijt opgestaan in stede van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om de hittigheid van des HEEREN toorn tegen Israel te vermeerderen.
15 Wanneer gij van achter Hem u zult afkeren, zo zal Hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verderven.
16 Toen traden zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen.
17 Maar wij zelven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners des lands.
18 Wij zullen niet wederkeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israels tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis.
19 Want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde van de Jordaan, en verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang.
20 Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult toerusten ten strijde,
21 En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezicht des HEEREN, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben.
22 En het land voor het aangezicht des HEEREN ten ondergebracht zij; zo zult gij daarna wederkeren, en onschuldig zijn voor den HEERE en voor Israel, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht des HEEREN.
23 Indien gij daarentegen alzo niet zult doen, ziet, zo hebt gij tegen den HEERE gezondigd; doch gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!
24 Bouwt uw steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat uit uw mond uitgegaan is.
25 Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt.
26 Onze kinderen, onze vrouwen, onze have en al onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead;
27 Maar uw knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des HEEREN tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft.
28 c Toen gebood Mozes, hunnenthalve, den priester Eleazar, en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels;

c: Jos 1:13 Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden geboden heeft, zeggende: De HEERE, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land;
Jos 4:12 En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, mitsgaders de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht der kinderen Israels, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.

29 En Mozes zeide tot hen: Indien de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met ulieden over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht des HEEREN, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult gij hun het land Gilead ter bezitting geven.
30 Maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in het land Kanaan.
31 En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Wat de HEERE tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij alzo doen.
32 Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des HEEREN naar het land Kanaan; en de bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de Jordaan.
33 d Alzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en den halven stam van Manasse, den zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.

d: Deu 3:12 Ditzelfde land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroer af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelve, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.
Jos 13:8 Met denwelken de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; dewelke Mozes hunlieden gaf aan gene zijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, hun gegeven had:
Jos 22:4 En nu, de HEERE, uw God, heeft uw broederen rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had; keert dan nu wederom, en gaat gij naar uw tenten, naar het land uwer bezitting, hetwelk u Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft op gene zijde van de Jordaan.

34 En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroer,
35 En Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jogbeha,
36 En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.
37 En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim,
38 En Nebo, en Baal-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen der steden, die zij bouwden, met [andere] namen.
39 e En de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting.

e: Gen 50:23 En Jozef zag van Efraim kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieen geboren.

40 Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.
41 Jair nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jair.
42 En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam.

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (7)

Verlossing van de zonde

De toorn voor onze zonden is dus reeds door de Heere Jezus gedragen, maar daarmee zijn wij er nog niet! Onze zonden zijn vergeven, maar hoe worden wij verlost van de zonde? De gevolgen van de ziekte zijn weggenomen, maar daarmee zijn wij nog niet gezond! Ook wanneer alle symptomen van een ziekte zijn onderdrukt, is de patiënt nog niet genezen.

In principe kent de Bijbel slechts één manier, om van zonde gerechtvaardigd te worden; dat is sterven! Het klinkt inderdaad wel erg hard, maar de dood is de enige weg om van een ongeneeslijke ziekte bevrijd te worden. Hoe dikwijls laten wij niet de woorden klinken: “Het is maar beter zo”, wanneer iemand na een langdurige lijdensweg is overleden? De dood is niet alleen het gevolg van de zonde, maar eveneens het eind ervan. De teksten, die wij geciteerd hebben om aan te tonen, dat de dood het gevolg is van de zonde, zeggen tevens, dat de dood het eindpunt is van de zonde.

….Gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood“ (Rom. 5: 21)

Weet gij niet, dat … gij dienstknechten zijt … der zondetotde dood“ (Rom. 6: 16)

Want toen gij dienstknechten waart der zonde… heteinde derzelveis de dood” (Rom. 6:20, 21)

Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde“ (Rom. 6: 7)

Dit feit, dat iemand, die gestorven is, gerechtvaardigd is van de zonde, verklaart waarom een mens in het toekomend oordeel nog slechts verantwoording moet afleggen over zijn zonden! Alleen zijn werken en de gevolgen daarvan moet hij nog onder ogen zien; zijn zondige natuur heeft hij tegelijk met zijn vleselijk lichaam afgelegd! Bovendien is het de grondslag voor het behoud van alle kinderen, die stierven voordat zij zonden begaan hadden, en van allen, die om andere redenen niet voor hun eigen daden verantwoordelijk geacht kunnen worden. Hun zondige natuur verloren zij bij hun sterven, en zij hebben geen werken gedaan, op grond waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden! Op zichzelf is dit natuurlijk een positief geluid, maar het neemt niet weg, dat wij dan toch tijdens ons aardse leven gebukt zouden moeten gaan onder de slavernij van de zonde, en daarvan tot aan onze dood niet verlost zouden kunnen worden. Op die wijze is de levende mensheid dan toch verloren voor God, zelfs al zou ieder lid van die mensheid vergeving voor zijn zonden ontvangen hebben. Ondanks die vergeving blijft hij een mens van vlees en bloed, die besmet is met de zonde en daarom ongeschikt voor het koninkrijk Gods. Want “dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen” (1 Kor. 15: 50)

Oppervlakkig bezien lijkt het er zo op, dat wij dus van onze zonde verlost moeten worden door een dood, die daarmee onze vriend geworden is. Toch is de dood volgens 1 Kor. 15 : 26 onze vijand, en wel omdat hij een eind maakt aan het leven, dat oorspronkelijk door God geschapen werd. De dood behoort niet tot de scheppingen van God; hij maakt een eind aan Zijn scheppingen. De dood is de laatste vijand en bepaald geen vriend. Al onze gevoelens en ervaringen kunnen dit onomstotelijk bevestigen.

Het tragische van de dood is, dat die een eind maakt aan ons leven op het exacte tijdstip, waarop dat leven eventueel zinvol zou kunnen worden, en zou kunnen gaan beantwoorden aan het doel, dat God met alle menselijk leven voor ogen heeft gestaan. Wanneer onze zonden door het lijden van de Heiland vergeven zijn, en onze zondige natuur door onze eigen dood is weggenomen, zouden wij in precies dezelfde situatie terechtkomen als die van Adam, zoals hij door God geschapen werd: onschuldig; met dit grote verschil, dat Adam toen begon te leven en wij dan zojuist daarmee zijn opgehouden! Het is niet moeilijk om in te zien, dat Adams bestaan volkomen zinloos geweest zou zijn, als hij op de dag van zijn schepping door God weer zou zijn weggenomen. In een gelijksoortige positie bevinden wij ons, als onze zonden vergeven zijn, en onze zonde door de dood is verdwenen; op dat moment hebben wij geen leven meer voor ons en is ons aardse bestaan volkomen zinloos geweest, terwijl de kosten zeer hoog waren: het lijden van de Christus voor onze zonden! “Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam” (1 Petr. 1 : 18, 19) In dat geval zou ons aardse leven een verloren leven geweest zijn, zonder ook maar de geringste vrucht of opbrengst, maar tegen een wel bijzonder hoge prijs! Dan zou Satan er inderdaad in geslaagd zijn, om Gods schepping aan Zijn macht te ontrukken en te vernietigen. Zo sterk is de macht van de laatste vijand: hij maakt ons een waardevol bestaan onmogelijk!

Maar ook dit verlies is Gods verliesDaarom is het God Zelf, Die niet alleen het probleem van de zonden oplost, maar ook het probleem van de zonde.

Toorn is de straf op de zonden; die werd voor ons gedragen door de Heere Jezus. De dood is de “bezoldiging der zonde“, en ook die heeft de Heiland voor ons ondergaan. Zijn lijden had betrekking op hoe wij waren, terwijl zijn sterven verband houdt met wie wij waren:”Want Christus, als wij nog krachteloos warenis te Zijner tijd voor de goddelozen gestorvenMaar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren” (Rom. 5: 6, 8)

Nadat de Heer geleden had voor onze zonden, moest Hij nog sterven voor onze zonde, die Hij eveneens op Zich genomen had. Zijn lijden bracht ons vergeving van zonden, maar Zijn dood bracht ons pas de verzoening met God. “Want indien wij, vijanden zijndemet God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons (Rom. 5: 10) “Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven” (Rom. 6: 10)

Numeri 29

De offers in de zevende maand

1 Desgelijks in de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; a het zal u een dag des geklanks zijn.

a: Lev 23:24 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: In de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een rust hebben, een gedachtenis des geklanks, een heilige samenroeping.

2 Dan zult gij een brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE bereiden: een jongen var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
3 En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot den var, twee tienden tot den ram.
4 En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;
5 En een geitenbok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen;
6 Behalve het brandoffer der maand, en zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen, naar hun wijze, ten liefelijken reuk, ten vuuroffer den HEERE.
7 En op den tienden dezer zevende maand zult gij een heilige samenroeping hebben, en b gij zult uw zielen verootmoedigen; geen werk zult gij doen;

b: Lev 16:29 En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: gij zult in de zevende maand, op den tienden der maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
Lev 16:31 Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting.
Lev 23:27 Doch op den tienden dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uw zielen verootmoedigen, en zult den HEERE een vuuroffer offeren.

8 Maar gij zult brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE offeren: een jongen var, een ram, zeven eenjarige lammeren; c volkomen zullen zij u zijn;

c: Num 28:19 Maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.

9 En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemend: drie tienden tot den var, twee tienden tot den enen ram;
10 Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;
11 Een geitenbok ten zondoffer, behalve het zondoffer der verzoeningen, en het gedurig brandoffer; en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.
12 Insgelijks op den vijftienden dag dezer zevende maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; maar zeven dagen zult gij den HEERE een feest vieren.
13 En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn;
14 En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, tot die dertien varren toe; twee tienden tot een ram, onder die twee rammen;
15 En tot elke een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe;
16 En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
17 Daarna op den tweeden dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
18 En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
19 En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.
20 En op den dertienden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
21 En hun spijsofferen, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
22 En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
23 Verder op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
24 Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
25 En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
26 En op den vijfden dag: negen varren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren;
27 En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
28 En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
29 Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
30 En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
31 En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankofferen.
32 En op den zevenden dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
33 En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hun wijze;
34 En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
35 Op den achtsten dag d zult gij een verbodsdag hebben; geen dienstwerk zult gij doen.

d: Lev 23:36 Zeven dagen zult gij den HEERE vuurofferen offeren; op den achtsten dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult den HEERE vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; gij zult geen dienstwerk doen.

36 En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, [ten] liefelijken reuk den HEERE; een var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
37 Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot den var, tot den ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
38 En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
39 Deze dingen zult gij den HEERE doen op uw gezette hoogtijden; behalve uw geloften, en uw vrijwillige offeren, met uw brandofferen, en met uw spijsofferen, en met uw drankofferen, en met uw dankofferen.
40 En Mozes sprak tot de kinderen Israels naar al wat de HEERE Mozes geboden had.

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (6)

Verlossing van de zonden

Van de zonden hebben wij gezien, dat die aan de hand van de boeken geoordeeld zullen worden voor de “grote witte troon” van God. De straf der zonden is toorn. “Want de toom Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen…“ (Rom. 1: 18) “Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelven toorn“ (Rom. 2: 5) “Maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.“(Joh. 3: 36)

Van deze toorn Gods wordt niet gezegd, dat die geopenbaard wordt door het Evangelie, maar “van de hemel”. De toorn Gods maakt geen deel uit van het Evangelie, want het is zeker geen blijde boodschap. Het komende oordeel is bovendien zeker niet populair, en komt ook daarom waarschijnlijk zo weinig voor in de prediking in onze dagen. In deze tijd, die geregeerd wordt door democratische beginselen, is de prediking van de kansels veelal meer in overeenstemming met de “wil van het volk”, dan met de wil van God. Men kan vandaag meer horen spreken over wat de mens doet, en over wat hij naar zijn eigen mening zou moeten doen, dan over wat God gedaan heeft, en over wat Hij nog zal doen! Wat God nog zal doen, is het oordeel uitspreken en uitvoeren over de zonden van ieder mens. Wat God gedaan heeft in het verleden, is de mogelijkheid scheppen, om aan dat rechtvaardig oordeel te ontkomen!

Hij heeft de toorn, die over ons zou moeten komen, uitgestort over Hem, Die in onze plaats wilde staan! Gods Eigen Zoon droeg de straf, die ons de vrede aanbracht!

Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen;…. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden” (Jes. 53 : 4, 5)

Opvallend in dit Schriftgedeelte is, dat alle dingen, waarvoor de Heiland leed, in het meervoud staan! Hier wordt niet gesproken over de zonde, onze natuur, maar over zonden! Er wordt gesproken over krankheden, smarten, overtredingen, ongerechtigheden. Het lijden dat op Christus kwam (1 Petr. 1: 11 ) was een gevolg van onze zonden, die Hij in Zijn lichaam aan het hout bracht. Dit lijden van Christus was het gevolg van de toorn van God, die ontbrandde over onze zonden, die de Heere Jezus voor ons op Zich genomen had.

Wij spreken hier nog niet over het sterven van de Heiland, maar over het lijden, dat daar aan vooraf ging. Dood is het gevolg van zonde, lijden is het gevolg van zonden. Het lijden van Christus wordt altijd in verband gebracht met zonden, terwijl Zijn dood in verband staat met zonde.

Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het Hout“ (1 Petr. 2 : 24)

Want Christus heeft ook eens voor dezonden geledenHij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen” (1 Petr. 3: 18)

Alzo ook Christus, eenmaalgeofferdzijnde, om veIerzondenweg te nemen, zal ten andere male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid” (Hebr. 9: 28)

Die Zichzelvengegevenheeft voor onzezonden… .“ (Gal. 1 : 4)

Welkeovergeleverdis om onzezondenen opgewekt om onze rechtvaardigmaking“ (Rom. 4: 25)

“….Alzo moest de Christuslijdenen van de doden opstaan ten derde dage; en in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving derzonden” (Luk. 24 : 46)

Opvallend is, dat in beide laatstgenoemde verzen wel gesproken wordt over zonden en lijden, maar niet over zonde en sterven! Ook hier wordt onderscheid gemaakt tussen deze in wezen verschillende zaken.

Het lijden van Christus is dus het middel waardoor God in staat werd gesteld om ons onze zonden te vergeven! Hij onderging dit lijden dan ook niet als een Dienstknecht van mensen, maar als een Dienstknecht van God! In Jesaja 52 en 53, waar dit lijden beschreven wordt, noemt God Hem dan ook “Mijn Knecht” (52: 13) en “Mijn Knecht, de Rechtvaardige“ (53: 11)

Zonden behoren op rechtvaardige wijze bestraft te worden, en van een God, Die rechtvaardig is, moeten wij ook zeker verwachten, dat Hij dit zal doen. Maar rechtvaardigheid sluit vergeving uit! Een rechter behoort rechtvaardig te zijn en daarom verwachten wij van hem zeker niet, dat hij de verdachte vergeving zal schenken. Dat onze rechtvaardige God en Rechter ons desondanks vergeving kan geven, is omdat de straf voor onze zonden al door de Heere Jezus op Zich genomen en gedragen is, “zodat Hij (God) Zelf rechtvaardig is, ook als Hij (God) hem rechtvaardigt, die uit het geloof van Jezus is“ (Rom. 3: 26 Vert. N.B.G) Het heerlijke resultaat hiervan is: “Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn; Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent” (Rom. 4: 7, 8; Ps. 32 : 1)

Numeri 28

Het dagelijks offer

Num 28:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Num 28:2 Gebied den kinderen Israels, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn spijze voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult gij waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd.
Num 28:3 En gij zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, hetwelk gij den HEERE offeren zult: a) twee volkomen eenjarige lammeren des daags, tot een gedurig brandoffer.

a) Exo 29:38 Dit nu is het, wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, des daags, geduriglijk.

Num 28:4 Het ene lam zult gij bereiden des morgens; en het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.
Num 28:5 b) En een tiende deel ener efa meelbloem c) ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel van een d) hin van gestoten olie.

b) Exo 16:36 Een gomer nu is het tiende deel van een efa.

c) Lev 2:1 Als nu een ziel een offerande van spijsoffer den HEERE zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.

d) Exo 29:40 Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.

Num 28:6 Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinai ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer den HEERE.
Num 28:7 En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult gij het drankoffer des sterken dranks den HEERE offeren.
Num 28:8 En het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden; gelijk het spijsoffer des morgens, en gelijk zijn drankoffer zult gij het bereiden, ten vuuroffer des liefelijken reuks den HEERE.

Het sabbats- en het maandoffer

Num 28:9 Maar op den sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, mitsgaders zijn drankoffer.
Num 28:10 Het is het brandoffer des sabbats op elken sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer.
Num 28:11 En in de beginselen uwer maanden zult gij een brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
Num 28:12 En drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd tot den enen var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot den enen ram;
Num 28:13 En tot elk tiende deel meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer, den HEERE.
Num 28:14 En hun drankofferen zullen zijn de helft van een hin tot een var, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer der nieuwe maan in elke maand, naar de maanden des jaars.
Num 28:15 Daartoe zal een geitenbok ten zondoffer den HEERE, boven het gedurige brandoffer, bereid worden, met zijn drankoffer.

De paas- en pinksteroffers

Num 28:16 e) En in de eerste maand, op den veertienden dag der maand, is het pascha den HEERE.

e) Exo 12:18 In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond.
Exo 23:15 Het feest van de ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), ter bestemder tijd in de maand Abib, want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen; doch men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen.
Lev 23:5 In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN pascha.

Num 28:17 En op den vijftienden dag derzelve maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden.
Num 28:18 Op den f) eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gijlieden doen;

f) Lev 23:7 Op den eersten dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.

Num 28:19 Maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.
Num 28:20 En hun spijsoffer zal zijn meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot een var, en twee tienden tot een ram zult gij bereiden.
Num 28:21 Tot elk zult gij een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe.
Num 28:22 Daarna een bok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen.
Num 28:23 Behalve het morgenbrandoffer, hetwelk tot een gedurig brandoffer is, zult gij deze dingen bereiden.
Num 28:24 Achtervolgens deze dingen zult gij des daags, zeven dagen lang, de spijze des vuuroffers bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; boven dat gedurig brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer.
Num 28:25 En op den zevenden dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.
Num 28:26 Insgelijks op den dag der eerstelingen, als gij een nieuw spijsoffer den HEERE zult offeren naar uw werken, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.
Num 28:27 Dan zult gij den HEERE een brandoffer ten liefelijken reuk offeren: twee jonge varren, een ram, zeven eenjarige lammeren;
Num 28:28 En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, twee tienden tot een ram;
Num 28:29 Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;
Num 28:30 Een geitenbok, om voor u verzoening te doen.
Num 28:31 Behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, zult gij ze bereiden; zij zullen u volkomen zijn met hun drankofferen.

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe (5)

De Verlosser

God is echter niet uitsluitend rechtvaardig! Ondanks onze wandaden heeft Hij ons lief. Vanzelfsprekend wordt de liefde van God voor de zondaar niet door de zondaar zelf opgewekt of gestimuleerd. God heeft ons lief, omdat Hij Zelf liefde is, “want God is liefde” (1 Joh. 4 : 8), en tevens, omdat wij “het werk Zijner handen” zijn. Wij zijn Zijn maaksel! Wij doen ongetwijfeld een stap in de goede richting, wanneer wij tot de overtuiging komen, dat de gehele mensheid van nature verloren is. De mensheid is verloren, maar wiens verlies is dat; wie heeft de mensheid verloren? Wie was de eigenaar? Onze gedachten treden slechts zelden buiten onszelf. Wanneer wij zeggen, dat wij verloren zijn, denken wij gewoonlijk alleen aan de gevolgen daarvan voor onze eigen persoon. Wij zijn echter niet verloren voor onszelf, maar voor God. Als een eigendom verloren raakt, is dat in de allereerste plaats een verlies voor de eigenaar; en wanneer het teruggevonden wordt, is dat tot vreugde van de eigenaar. Dat is ook de strekking van de gelijkenissen in Lukas 15 over het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon!

Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert…”

Alzo zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.”

Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren en is gevonden” (Luk. 15 : 7, 10 en 32)

Wij zijn niet het eigendom van onszelf, maar als schepselen zijn wij het eigendom van onze Schepper. Daarom is het in de eerste plaats Gods zaak, dat Hij voorziet in een verzoening voor de zondige mensheid, en dat Zijn Zoon “is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was” (Luk. 19: 10; Matth. 18: 11)

Psalm 69 geeft een beschrijving van het lijden van de Heere Jezus, als de weg tot de zaligheid. In vers vijf daarvan lezen wij: “Die Mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren Mijns hoofds; die Mij zoeken te vernielen, die Mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat Ik niet geroofd heb, moet Ik alsdan wedergeven“. Wat had Hij niet geroofd en wat heeft Hij wedergegeven? Ongetwijfeld gaat het hier om het eigendom, dat door de zonde aan God ontstolen was, en dat door het offer van de Heere Jezus weer aan Hem werd teruggegeven. Dit is het Goddelijk aspect van de verzoening. Niet het Schepsel, maar de Schepper staat centraal in het verlossingswerk van Christus!

Dit verlossingswerk heeft in eerste instantie een tweeledig doel: Het moet voorzien in een oplossing voor de zonden en het moet voorzien in een oplossing voor de zonde.

WordPress theme: Kippis 1.15